retourtje Eindhoven – Amsterdam Amstelstation
november 20th, 2007 at 16:25Ooit bij het Amstelstation uitgestapt? Meestal neem ik de trein als ik van Eindhoven naar Amsterdam ga. Soms heb ik de auto nodig, zoals deze laatse zondag in october. Het kwam zo uit dat ik vanuit het centrum richting Utrecht reed en het laatste stoplicht van de Wibautlaan op oranje sprong. Voor mij een woud van kastanjes, waardoorheen die ene rijbaan die ik zometeen rijden zou, de uitvalsweg naar de A10. De grote donkere kastanjes doen op deze plaats weldadig aan. Ondanks hun beperkte ruimte, ingesloten als ze worden door de rotonde waarover zowel de tramlijn als het autoverkeer raast, domineren zij de ruimte. Vanaf mijn tijdelijke gezichtspunt is door de dikke stammen het Amstelstation te zien, op een steenworp afstand. De verzamelde fietsen op het plein links van de uitgang ogen net zo donker als de grond onder de bomen. Vanuit het busstation op de rechterflank rijden bussen af en aan en voegen zich in het verkeer op de rotonde. Ik weet rechts van mij de onderdoorgang naar de Berlagebrug. De metro en de trein rommelen hier onophoudelijk overheen.
Hier begint en eindigt voor mij Amsterdam. Maar wat een entree, wat een lumineuze gedachte om hier zo’n massaal bomeneiland te poneren, wat een besef van eigenheid en stijl om het te behouden, wat een vakmanschap, kunde en kennis om aan de groeivoorwaarden voor deze kapitale bomen te blijven voldoen.
Dinsdag fiets ik langs het station in Eindhoven, op weg naar de markt. Meneer Philips staat, beleefd buigend met de hoed in de hand. Om hem heen kruipen, klimmen en harken enkele ambtenaren. Er staat een trapleer, wat kistjes witte winterviolen. Enkele vakken worden gevuld met deze reuzenbloemige variëteit. Twee etagères worden laag voor laag met grond aangevuld, voor de violen. Mijn hart krimpt, wat een ellende. Hoe zou het zijn als ik aankomend met de trein in Eindhoven, verwelkomd werd door de rust van een kleine dichte bomenmassa.
Hoe zou het zijn voor meneer Philips, als hij ’s avonds, vriendelijk met LED-lampjes verlicht onder een dak van blaren huisde, of ’s zomers verkoeling vond van de alsmaar warmer wordende stad? Terugfietsend nog eens het stationsplein overziend vallen mij de armetierige kastanjes aan de periferie op. Hoe komt het toch dat ze hier niet groeien willen?